|
Drie kleine kleutertjes
Drie kleine kleutertjes die zaten op een hek
bovenop een hek.
Drie kleine kleutertjes die zaten op een hek
op een mooie warme dag in september.
Waarover spraken zij, die drie daar op dat hek
bovenop dat hek.
Waarover spraken zij, die drie daar op dat hek
op die mooie warme dag in september.
't was over krekeltjes en korenbloempjes blauw
korenbloempjes blauw
't was over krekeltjes en korenbloempjes blauw
op die mooie warme dag in september |
|
Schrijf je ook wat in mijn gastenboek?
|
Dikkertje Dap
(Annie
M.G.Schmidt)
Dikkertje Dap klom op de trap,
's morgens vroeg om kwart over zeven
om de giraf een klontje te geven.
"Dag Giraf", zei Dikkertje Dap,
"weet je wat ik heb gekregen?
Rode laarsjes voor de regen!"
"'t is toch niet waar" zei de giraf,
" Dikkertje (4x) ik sta paf".
"O giraf", zei Dikkertje Dap,
"'k moet je nog veel meer vertellen,
ik kan al drie letters spellen:
a,b,c, is dat niet knap?
Ik kan ook al bijna rekenen,
ik kan mooie poppetjes tekenen!"
" Lieve deugd" zei de Giraf,
"kerel (4x) ik sta paf".
"Zeg Giraf", zei Dikkertje Dap,
"mag ik niet eens even bij je,
stiekem van je nek af glijden?
Zo maar eventjes, voor de grap.
Denk je dat de grond van Artis,
als ik neerkom heel erg hard is?"
" Stap maar op " zei de Giraf,
"stap maar op en glij maar af."
Dikkertje Dap klom van de trap
met een griezelig grote stap
OP de nek van de Giraf
zette Dikkertje Dap zich af,
roetsjj, daar gleed hij met een vaartje,
tot aan 't kwastje van het staartje.
" Dag giraf," zei Dikertje Dap,
"morgen kom ik weer hier terug met de trap!"
|
|

|
Dat gaat naar Den Bosch toe
Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve Gerritje.
Dat gaat naar Den Bosch toe, zoete lieve meid.
Wat zuln wij daar drinken, zoete lieve Gerritje.
Wat zuln wij daar drinken, zoete lieve meid.
Brandewijn met suiker, zoete lieve Gerritje.
Brandewijn met suiker, zoete lieve meid.
Wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje.
Wie zal dat betalen, zoete lieve meid. |
|
|
Daar was laatst een meisje loos
Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen
Die wou gaan varen
Daar was laatst een meisje loos
Die wou gaan varen als lichtmatroos
Zij moest klimmen in de mast
Maken de zeilen
Maken de zeilen
Zij moest klimmen in de mast
Maken de zeilen met touwtjes vast
Maar door storm en tegenweer
Sloegen de zeilen
Sloegen de zeilen
Maar door storm en tegenweer
Sloegen de zeilen van boven neer
Och, kap'teintje, sla me niet
Ik ben Uw liefje
Ik ben Uw liefje
Och, kap'teintje, sla me niet
Ik ben Uw liefje, zoals U ziet.
Zij moest komen in de kajuit
Kreeg een pak ransel
Kreeg een pak ransel
Zij moest komen in de kajuit
Kreeg een pak ransel, en toen was het uit |
|

 |